Jûjî

aciz

/ɑːˈd͡ʒɪz/

bijvoeglijk naamwoord
  1. geïrriteerd / het beu

    de
    ärgerlich / hilflos / kraftlos / machtlos
    en
    unhappy, upset, sick and tired
    tr
    sıkkın, bıkkın
    kmr
    nerehet, bêzar, tengezar, şeqiz, şerpeze, perîşan, nexweş, nesax, nehêsa, nearam
  2. moe / uitgeput

    de
    müde / erschöpft
    en
    tired, exhausted
    tr
    yorgun / bitkin
  3. onbehaaglijk / lijdend

    de
    unbehaglich / leidend
    en
    uncomfortable, suffering
    tr
    rahatsız / mustarip

Herkomst

Ji erebî عَاجِز (ʕājiz).

Verwante woorden

Bron en licentie

Dit lemma komt uit Wîkîferheng/Wiktionary en valt onder CC BY-SA 4.0. Bron: Wîkîferheng. Onze afgeleide gegevens delen we onder dezelfde licentie.