Jûjî

bêyom

/beːˈjoːm/

bijvoeglijk naamwoord
  1. kademsiz / kutsuz / makus / menhus

    de
    unglücklich / Unglücksbringer / Unheil
    en
    baleful / ominous / jinxed
    kmr
    bêqudûş, bêbext, şowm, bêoxir, bextreş

Voorbeelden

  • Piştî vê rewşa bêyom ya Kardûk, ji her devekî virek derdiket.

Herkomst

Ji bê- + erebî يمن (yom)

Bron en licentie

Dit lemma komt uit Wîkîferheng/Wiktionary en valt onder CC BY-SA 4.0. Bron: Wîkîferheng. Onze afgeleide gegevens delen we onder dezelfde licentie.