Jûjî

dîm

/ˈdiːm/

1.bijwoord
  1. altijd / immer / altoos / steeds

    de
    immer / stets / ständig
    en
    always
    tr
    her zaman / daima
    kmr
    herdem
2.zelfstandig naamwoord
  1. gezicht / aangezicht / gelaat

    de
    Gesicht / Angesicht / Antlitz / Visage
    en
    face
    tr
    yüz / çehre
    kmr
    rû, rûdên, sûret

Bron en licentie

Dit lemma komt uit Wîkîferheng/Wiktionary en valt onder CC BY-SA 4.0. Bron: Wîkîferheng. Onze afgeleide gegevens delen we onder dezelfde licentie.