Jûjî

hêcet

/heːˈd͡ʒɛt/

zelfstandig naamwoord
  1. dekmantel / smoes / voorwendsel / pretext

    de
    Ausflucht / Umschweif / Vorwand / Ausrede
    en
    pretext / excuse / rationalization / explanation
    tr
    bahane / esbapı mucibe / mahana / mucip
    kmr
    Bihane, bafik, sebebên bêbingeh, sûcên nerast.

Voorbeelden

  • Bo xwe hêcet girtin.

  • Tiştek kirin hêcet.

Herkomst

Ji erebî حُجَّة (ḥujja, “bihane”).

Verwante woorden

Andere schrijfwijzen

Bron en licentie

Dit lemma komt uit Wîkîferheng/Wiktionary en valt onder CC BY-SA 4.0. Bron: Wîkîferheng. Onze afgeleide gegevens delen we onder dezelfde licentie.